Inverteer Commando

Inverteer( <Matrix> )

Geeft de inverse matrix.

Inverteer({{1, 2}, {3, 4}}) geeft

(211.50.5), de inverse matrix van (1234).

Inverteer( <Functie> )

Gives de inverse functie.

Invert(sin(x)) geeft asin(x).

De functie mag slechts één x bevatten. Er wordt ook geen rekening gehouden met domein of bereik, bijvoorbeeld voor f(x) = x^2 of f(x) = sin(x). Voor functies met meer dan een x in het functievoorschrift kan je een ander commando gebruiken:

Inverteer(Partiëelbreuken((x + 1) / (x + 2))) berekent de inverse functie.

CAS Venster

Invert( <Matrix> )

Geeft de inverse matrix.

Inverteer({{a, b}, {c, d}}) geeft

\begin{pmatrix}\frac{d}\{ad- bc} & \frac{-b}\{ad- bc}\\\frac{-c}\{ad- bc}& \frac{a}{ ad- bc}\end{pmatrix}

, de inverse matrix van (abcd).

Inverteer( <Functie> )

Geeft de inverse functie.

  • Inverteer((x + 1) / (x + 2)) geeft \frac{-2x + 1}\{x - 1}.

  • Inverteer(x^2 + 2 x + 1) geeft x1.

In het CAS venster werkt het commando ook wanneer het functievoorschrift meer dan een x bevat.